gezondheidsmonitoring bij geiten

Toen onze eerste Vlaamse geiten op Het Naanhof arriveerden, beseften we al snel dat gezond geiten houden veel verder gaat dan voldoende voer en een goede stal. Gezondheid begint bij dagelijkse observatie, een doordacht weidebeheer en het tijdig herkennen van veranderingen.

We staan zelf nog maar aan het begin van dit leerproces. Daarom proberen we onze keuzes zoveel mogelijk te baseren op wetenschappelijke inzichten én op de ervaringen van dierenartsen, onderzoekers en ervaren geitenhouders. Op deze pagina verzamelen we de hulpmiddelen die wij gebruiken of willen leren gebruiken om de gezondheid van onze geiten op een verantwoorde manier op te volgen.

Waarom gezondheidsmonitoring bij geiten?

Geiten zijn sterke en vaak sobere dieren. Dat is één van de eigenschappen die hen zo bijzonder maakt. Tegelijk zorgt dit ervoor dat ze gezondheidsproblemen soms lang kunnen verbergen. Tegen de tijd dat een geit duidelijk ziek oogt, is een aandoening soms al behoorlijk gevorderd.

Daarom proberen we onze dieren regelmatig en aandachtig op te volgen. Niet om voortdurend op zoek te gaan naar problemen, maar om kleine veranderingen tijdig op te merken. Hoe vroeger je een afwijking herkent, hoe groter de kans dat je gericht kunt ingrijpen en onnodige behandelingen kunt vermijden.

Daarbij vertrouwen we nooit op één enkele meting. We combineren dagelijkse observaties met verschillende hulpmiddelen, zoals FAMACHA, de Body Condition Score (BCS) en mestonderzoek. Samen geven ze een veel vollediger beeld van de gezondheid van onze geiten dan elk afzonderlijk.

Dagelijkse observatie

Wanneer mensen aan gezondheidsmonitoring denken, denken ze vaak aan bloedonderzoek, mestonderzoek of andere technische metingen. Toch begint de belangrijkste gezondheidscontrole veel eenvoudiger: door elke dag even bewust naar je dieren te kijken.

Voor ons is dat geen vervelende taak of controlelijst. Integendeel. Na een werkdag is er weinig ontspannender dan een half uurtje tussen de geiten door te brengen. Vaak snoeien we onderweg enkele meidoorntakken uit de haag, geven die aan de geiten en genieten we van hun enthousiasme. Terwijl zij rustig knabbelen aan bladeren en jonge twijgen, komen ook wij tot rust. Het is een moment waarop we niet alleen voor de geiten zorgen, maar ook gewoon genieten van elkaars aanwezigheid.

Juist tijdens die rustige momenten leer je je dieren echt kennen. Je merkt hoe ze normaal eten, hoe ze bewegen, hoe nieuwsgierig ze zijn en hoe ze met elkaar omgaan. Daardoor vallen kleine veranderingen veel sneller op dan wanneer je alleen komt voeren en weer vertrekt.

Waar letten we op?

Mooie Vlaamse geit: let op de goede verhoudingen
© B. De Laender SLE: Mooie Vlaamse geit: let op de goede verhoudingen

Tijdens onze dagelijkse observaties proberen we onder andere aandacht te besteden aan:

  • Eetlust – Komt de geit spontaan eten? Eet ze met evenveel enthousiasme als de andere dieren?
  • Herkauwgedrag – Een gezonde geit herkauwt regelmatig wanneer ze in rust is.
  • Gedrag – Is de geit nieuwsgierig, alert en sociaal, of trekt ze zich opvallend terug?
  • Houding en beweging – Loopt ze vlot? Staat ze ontspannen of juist met een kromme rug of stijve houding?
  • Mest – Zijn de keutels mooi gevormd of zien we diarree of afwijkingen?
  • Vacht en algemene uitstraling – Oogt de vacht glanzend en verzorgd? Staat het dier helder uit de ogen?
  • Ademhaling – Ademt de geit rustig of valt een versnelde of moeizame ademhaling op?

Kleine veranderingen vertellen vaak het meeste

Een geit die een dag wat minder eet, hoeft niet meteen ziek te zijn. Net zoals een mens kan ook een geit eens een mindere dag hebben. Gezondheidsmonitoring draait daarom niet om één enkele observatie, maar om het herkennen van veranderingen ten opzichte van het normale gedrag.

Door onze geiten regelmatig en aandachtig te observeren, hopen we hun normale gedrag steeds beter te leren kennen. Dat maakt het gemakkelijker om tijdig op te merken wanneer er iets verandert en om, indien nodig, verder onderzoek te doen met hulpmiddelen zoals de FAMACHA-score, de Body Condition Score of mestonderzoek.

FAMACHA-score

De FAMACHA-score is een eenvoudige methode om na te gaan of een geit mogelijk bloedarmoede heeft. Daarbij vergelijken we de kleur van het slijmvlies aan de binnenkant van het onderste ooglid met een referentiekaart. Hoe bleker het slijmvlies, hoe groter de kans dat het dier aan bloedarmoede lijdt.

De methode werd oorspronkelijk ontwikkeld in Zuid-Afrika om besmettingen met de rode lebmaagworm (Haemonchus contortus) beter op te volgen. Deze worm voedt zich met bloed in de lebmaag en kan, vooral bij jonge of verzwakte dieren, ernstige bloedarmoede veroorzaken.

Hoe werkt de FAMACHA-score?

De kleur van het onderste ooglid wordt vergeleken met een standaardkaart die vijf scores onderscheidt.

Waarom gebruiken we deze methode?

Wat ons aanspreekt aan de FAMACHA-methode is dat ze snel, eenvoudig en diervriendelijk is. Je hebt geen speciale apparatuur nodig en de controle duurt slechts enkele seconden. Bovendien kan de methode helpen om dieren met een verhoogd risico tijdig op te sporen. Het is wel zeer belangrijk dat je de juiste procedure volgt. Je moet eerst het oog kort sluiten en voorzichtig er wat druk op uitoefenen. Daarna kan je het onderste ooglid naar beneden rollen. Zo voorkom je dat je vooral naar de blekere rand van het ooglid kijkt, wat de score kan vertekenen. Een partner die het hoofd stil houdt, is dus zeker aanbevolen.

Toch beschouwen we FAMACHA nooit als een losstaande test. Een bleker ooglid kan ook andere oorzaken hebben dan een besmetting met de rode lebmaagworm. Omgekeerd kan een geit met een goede FAMACHA-score toch een ander gezondheidsprobleem hebben.

Eén hulpmiddel binnen een groter geheel

Daarom combineren we de FAMACHA-score altijd met andere observaties. We kijken ook naar de lichaamsconditie (Body Condition Score), het gedrag, de eetlust en – indien nodig – voeren we een mestonderzoek uit. Pas wanneer verschillende signalen in dezelfde richting wijzen, krijgen we een betrouwbaarder beeld van de gezondheid van een geit.

Belangrijk: De FAMACHA-score is vooral geschikt voor het opsporen van bloedarmoede veroorzaakt door de rode lebmaagworm (Haemonchus contortus). Ze zegt weinig of niets over andere maagdarmwormen of gezondheidsproblemen.

Body Condition Score (BCS)

Naast het gedrag en de algemene indruk van een geit proberen we ook haar lichaamsconditie regelmatig te beoordelen. Dat doen we met de Body Condition Score (BCS), een eenvoudige methode waarbij de hoeveelheid spier- en vetweefsel wordt ingeschat.

Een geit kan er op het eerste gezicht gezond uitzien, zeker wanneer ze een dikke wintervacht heeft. Daarom is kijken alleen niet voldoende. Door voorzichtig te voelen ter hoogte van de lendenen en het bekken krijg je een veel betrouwbaarder beeld van de conditie van het dier.

Waarom gebruiken we een Body Condition Score?

De lichaamsconditie vertelt veel over de algemene gezondheid van een geit. Een geleidelijk gewichtsverlies kan bijvoorbeeld wijzen op een te lage voederopname, een hoge wormdruk, een ziekte of een andere onderliggende oorzaak. Omgekeerd is ook overgewicht niet wenselijk, omdat het de kans op gezondheidsproblemen kan vergroten.

Door de Body Condition Score regelmatig te bepalen, hopen we veranderingen tijdig op te merken. Belangrijker dan één enkele meting is de evolutie doorheen de tijd.

Hoe beoordelen we de conditie?

De BCS wordt bepaald door voorzichtig te voelen ter hoogte van de lendenen. Daarbij letten we onder andere op:

  • de doornuitsteeksels van de wervels;
  • de dwarsuitsteeksels;
  • de hoeveelheid spierweefsel;
  • de vetbedekking.

Hoe scherper de botstructuren aanvoelen, hoe lager de Body Condition Score.

De vijfpuntenschaal

Ook deze methode heeft haar beperkingen

De Body Condition Score is een waardevol hulpmiddel, maar vertelt niet waarom een geit vermagert of bijkomt. Een lage score kan verschillende oorzaken hebben, zoals onvoldoende voeding, een hoge wormdruk, ziekte of een verhoogde energiebehoefte tijdens de lactatie.

Daarom bekijken we ook de BCS nooit los van de rest. We combineren deze observatie met het gedrag van de geit, de FAMACHA-score, mestonderzoek en onze dagelijkse waarnemingen. Pas samen geven ze een vollediger beeld van de gezondheid van het dier.

Mestonderzoek (McMaster)

Wanneer een geit vermagert of een blekere FAMACHA-score krijgt, is het verleidelijk om meteen te ontwormen. Toch proberen we eerst beter te begrijpen wat er aan de hand is. Eén van de hulpmiddelen die we daarvoor gebruiken, is een mestonderzoek.

Met de McMaster-methode tellen we het aantal wormeieren per gram mest (EPG – Eggs Per Gram). Dat geeft een indicatie van de wormdruk binnen de kudde en helpt ons om de evolutie doorheen het graasseizoen op te volgen.

Waarom doen we een mestonderzoek?

Een mestonderzoek helpt ons onder andere om:

  • de wormdruk binnen de kudde op te volgen;
  • na te gaan of rotatiebegrazing het gewenste effect heeft;
  • dieren met een hogere wormuitscheiding op te sporen;
  • de evolutie doorheen het seizoen te volgen;
  • gerichter na te denken over een eventuele behandeling.

Een EPG (Eggs per gram) vertelt niet het hele verhaal

Een belangrijk inzicht dat we zelf gaandeweg leerden, is dat een mestonderzoek geen diagnose stelt. Een hoge EPG betekent niet automatisch dat een geit ziek is of onmiddellijk ontwormd moet worden.

Het omgekeerde geldt eveneens: een geit met weinig wormeieren kan toch gezondheidsproblemen hebben door een andere oorzaak.

Daarom bekijken we een mestonderzoek altijd samen met:

  • de dagelijkse observaties;
  • de FAMACHA-score;
  • de Body Condition Score;
  • de leeftijd van de geit;
  • het seizoen;
  • de algemene gezondheidstoestand.

Verschillen tussen geiten zijn normaal

Tijdens onze eerste mestonderzoeken viel ons op dat geiten die op dezelfde weide leven en hetzelfde eten, toch heel verschillende resultaten kunnen hebben. Dat is niet uitzonderlijk. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat vaak een klein deel van de dieren verantwoordelijk is voor het grootste deel van de wormuitscheiding.

Juist daarom vinden we het interessant om onze geiten individueel op te volgen. Niet om cijfers te verzamelen, maar om onze dieren beter te leren kennen en veranderingen doorheen de tijd te herkennen.

Meer weten? Op onze pagina over de McMaster-methode leggen we stap voor stap uit hoe we een mestonderzoek uitvoeren, hoe we de resultaten berekenen en hoe we ze proberen te interpreteren.

Gezondheid vraagt tijd, geen haast

We beseffen dat we als beginnende geitenhouders nog veel te leren hebben. Juist daarom proberen we niet te snel conclusies te trekken of onmiddellijk naar een behandeling te grijpen. Elke observatie, elke FAMACHA-score, elke Body Condition Score en elk mestonderzoek levert een klein stukje van de puzzel.

Door die stukjes samen te leggen hopen we onze geiten steeds beter te leren kennen. Niet om elk risico uit te sluiten of elke worm uit te roeien, maar om tijdig veranderingen op te merken en weloverwogen beslissingen te nemen.

Gezondheidsmonitoring draait voor ons dan ook niet om cijfers of protocollen alleen. Ze begint bij aandachtig kijken, nieuwsgierig blijven en de tijd nemen om tussen onze geiten te zijn. Hoe beter we onze dieren leren kennen, hoe sneller we merken wanneer er iets verandert. Dat is misschien wel het belangrijkste hulpmiddel dat we als geitenhouder hebben.

Scroll naar boven