Waarom voeren wij mestonderzoek uit?
Voor ons is een mestonderzoek geen doel op zich, maar een hulpmiddel om onze geiten beter te begrijpen en weloverwogen beslissingen te nemen. De resultaten helpen ons om veranderingen in de wormdruk op te volgen, maar vormen nooit de enige basis voor een behandeling. We bekijken ze altijd samen met onze dagelijkse observaties, de FAMACHA-score, de Body Condition Score (BCS) en de algemene gezondheid van onze geiten.
Daarnaast zien we mestonderzoek ook als een manier om bij te leren. We zijn nieuwsgierig naar de invloed van ons beheer en willen onderzoeken welke keuzes een positief effect kunnen hebben op de gezondheid van onze dieren.
Daarom gebruiken we de McMaster-methode onder andere om:
- de wormdruk binnen onze kudde op te volgen;
- de evolutie doorheen het graasseizoen te volgen;
- het effect van rotatiebegrazing te evalueren;
- verschillen tussen individuele geiten beter te begrijpen;
- te onderzoeken of bepaalde kruiden, voedergewassen of browseplanten een invloed hebben op de wormdruk;
- de invloed van weersomstandigheden en seizoenen beter te leren kennen;
- eventuele ontwormingen beter te onderbouwen;
- de effectiviteit van een behandeling later te controleren (FECRT).
We verwachten niet dat één enkele meting alle antwoorden geeft. Pas door de resultaten gedurende meerdere maanden en jaren te verzamelen, hopen we patronen te herkennen en beter te begrijpen welke factoren bijdragen aan gezonde en veerkrachtige Vlaamse geiten.

Onze ambitie
We willen niet alleen weten hoe hoog de wormdruk vandaag is, maar vooral begrijpen waarom die verandert. Daarom registreren we niet alleen de resultaten van het mestonderzoek, maar ook de weide waarin de geiten liepen, de duur van de rustperiode, het seizoen, de weersomstandigheden en opvallende veranderingen in het rantsoen. Zo hopen we stap voor stap meer inzicht te krijgen in de samenhang tussen biodiversiteit, rotatiebegrazing en de gezondheid van onze Vlaamse geiten.
Hoe voeren wij een mestonderzoek uit?
Voor onze mestonderzoeken volgen we een vaste werkwijze, gebaseerd op de Modified McMaster Fecal Egg Count (FEC). Door steeds dezelfde methode te gebruiken, kunnen we resultaten uit verschillende meetmomenten beter met elkaar vergelijken.
De volledige procedure hebben we uitgewerkt in een eigen Standard Operating Procedure (SOP). Hieronder lichten we de belangrijkste stappen toe.
Stap 1 – Een vers meststaal nemen
Een betrouwbaar mestonderzoek begint met een goed staal. Daarom proberen we steeds zo vers mogelijke mest te gebruiken. Bij voorkeur nemen we het staal rechtstreeks uit het rectum. Wanneer dat niet mogelijk is, verzamelen we de mest onmiddellijk nadat de geit gekeuteld heeft.
Iedere geit krijgt een afzonderlijk staal. We noteren meteen:
- datum;
- naam of identificatie van de geit;
- weide waarin het dier verbleef;
- eventuele bijzonderheden.
Om de kwaliteit van het staal te bewaren, bewaren we het gekoeld (ongeveer 4 °C) en voeren we de analyse bij voorkeur nog dezelfde dag uit.

Stap 2 – De flotatie-oplossing bereiden
Niet alle deeltjes in mest hebben hetzelfde soortelijk gewicht. Wormeieren zijn lichter dan een verzadigde zoutoplossing en zullen daardoor naar het oppervlak drijven. Dat principe vormt de basis van de McMaster-methode.
Wij gebruiken een verzadigde natriumchloride-oplossing (NaCl) met een soortelijke massa van ongeveer 1,18 tot 1,20. Die bereiden we zelf volgens een vaste procedure, zodat iedere analyse onder vergelijkbare omstandigheden gebeurt.

Stap 3 – Het meststaal voorbereiden
Van iedere geit wegen we 4 gram mest af. Daar voegen we 56 ml flotatie-oplossing aan toe. Vervolgens mengen we alles grondig tot een homogene suspensie.
Na een korte rusttijd mengen we opnieuw en filtreren we het mengsel door een fijne zeef. Zo verwijderen we grove plantenresten en andere deeltjes die het microscopisch onderzoek kunnen bemoeilijken

Stap 4 – De McMaster-telkamer vullen
Na het filtreren mengen we de suspensie nog één keer goed door. Dat is een belangrijke stap, want wormeieren zakken relatief snel naar de bodem. Als de suspensie niet goed gemengd is, kunnen de resultaten een vertekend beeld geven.
Met een Pasteurpipet vullen we vervolgens beide kamers van de McMaster-telkamer. Daarbij proberen we luchtbellen te vermijden, omdat die het aflezen kunnen bemoeilijken. Wanneer er toch luchtbellen aanwezig zijn, maken we de telkamer leeg en vullen we ze opnieuw.
Daarna laten we de telkamer ongeveer vijf minuten horizontaal rusten. In die tijd drijven de wormeieren naar het oppervlak van de vloeistof en komen ze in hetzelfde scherpstelvlak te liggen. Zo kunnen ze later gemakkelijker worden geteld.

Stap 5 – De microscopische telling
Na de rusttijd plaatsen we de McMaster-telkamer onder de microscoop. We beginnen met het 4× objectief om het raster goed in beeld te brengen en schakelen daarna over naar 10× voor de eigenlijke telling.
We tellen systematisch alle wormeieren binnen het raster van beide telkamers. Om geen vakken over te slaan of dubbel te tellen, werken we steeds volgens hetzelfde vaste patroon.
Tijdens de telling registreren we niet alleen het totaal aantal strongylide-eieren, maar noteren we ook andere parasieten die we aantreffen, zoals Nematodirus, coccidia, Trichuris, Moniezia of Strongyloides. Zo krijgen we een vollediger beeld van de parasieten die binnen onze kudde voorkomen.
Stap 6 – Van telling naar EPG
Na de microscopische telling tellen we de aantallen strongylide-eieren uit beide telkamers samen. Dat totaal wordt vervolgens vermenigvuldigd met 50 om het aantal wormeieren per gram mest (EPG) te berekenen.
Bijvoorbeeld:
| Kamer 1 | Kamer 2 | Totaal | EPG |
|---|---|---|---|
| 2 | 1 | 3 | 150 |
| 12 | 22 | 34 | 1700 |
De factor 50 is geen willekeurig getal. Ze volgt rechtstreeks uit de hoeveelheid mest, het volume van de flotatie-oplossing en het volume van de McMaster-telkamer dat onder de microscoop wordt onderzocht.
Stap 7 – De resultaten interpreteren
Het berekenen van de EPG is pas het begin. De grootste uitdaging is het correct interpreteren van de resultaten.
Wij gebruiken voorlopig onderstaande richtwaarden:
| EPG | Interpretatie |
|---|---|
| 0 | Geen detecteerbare uitscheiding |
| 50–200 | Zeer laag |
| 250–500 | Laag |
| 550–1000 | Matig |
| 1050–2000 | Hoog |
| >2000 | Zeer hoog |
Toch proberen we voorzichtig te zijn met deze cijfers. Een hoge EPG betekent niet automatisch dat een geit ziek is of onmiddellijk ontwormd moet worden. Omgekeerd kan een dier met een lage EPG toch gezondheidsproblemen hebben.
Daarom bekijken we de resultaten steeds samen met:
- de dagelijkse observaties;
- de FAMACHA-score;
- de Body Condition Score (BCS);
- de leeftijd van de geit;
- het seizoen;
- het weidebeheer;
- de algemene gezondheidstoestand.
Pas wanneer al deze informatie samen wordt bekeken, ontstaat een betrouwbaarder beeld van de gezondheid van een geit.
Onze registratie en opvolging
Een mestonderzoek levert pas echt waardevolle informatie op wanneer de resultaten doorheen de tijd worden opgevolgd. Eén enkele meting is een momentopname. Pas wanneer verschillende analyses over meerdere maanden of jaren met elkaar worden vergeleken, kunnen patronen zichtbaar worden.
Daarom registreren we alle resultaten zorgvuldig in een eigen opvolgsysteem. Naast het aantal wormeieren per gram mest (EPG) noteren we ook gegevens over de geit zelf, de weide waarop ze verbleef en haar algemene gezondheidstoestand. Zo hopen we stap voor stap een beter inzicht te krijgen in de factoren die de wormdruk beïnvloeden.
Wat registreren we?
Bij iedere analyse noteren we onder andere:
- de datum van de staalname;
- de naam van de geit;
- de weide waarop het dier verbleef;
- de resultaten van het mestonderzoek (EPG);
- de FAMACHA-score;
- de Body Condition Score (BCS);
- de mestconsistentie;
- eventuele behandelingen of andere bijzonderheden.
Door deze gegevens samen te brengen, kunnen we de evolutie van elke geit afzonderlijk volgen en verschillende meetmomenten met elkaar vergelijken.
Meer dan alleen cijfers
Onze ambitie gaat verder dan het opvolgen van de wormdruk alleen. We willen ook beter begrijpen waarom de resultaten veranderen.
Daarom hopen we in de toekomst onder andere na te gaan:
- welke invloed rotatiebegrazing heeft op de wormdruk;
- hoe lang een weide idealiter moet rusten;
- of bepaalde kruiden, bomen of browseplanten een meetbare invloed hebben;
- hoe weersomstandigheden de ontwikkeling van maagdarmwormen beïnvloeden;
- waarom sommige geiten meer wormeieren uitscheiden dan andere, terwijl ze op dezelfde weide leven.
We verwachten niet dat we op al deze vragen snel een antwoord zullen vinden. Net dat maakt dit project voor ons zo boeiend. Door zorgvuldig te observeren, te registreren en de resultaten kritisch te bekijken, hopen we jaar na jaar meer inzicht te krijgen in de gezondheid van onze Vlaamse geiten.
Besluit
Mestonderzoek is voor ons geen doel op zich en zeker geen vervanging van een goede dagelijkse observatie. Het is één van de hulpmiddelen die ons helpt om de gezondheid van onze geiten beter te begrijpen. Door wetenschappelijke inzichten te combineren met onze eigen ervaringen hopen we stap voor stap een duurzame manier van geiten houden uit te bouwen, waarbij preventie, biodiversiteit en dierenwelzijn centraal staan.
Misschien ontdekken we onderweg dat sommige ideeën niet werken zoals we hadden verwacht. Misschien vinden we net onverwachte verbanden die ons verder helpen. Ook die ervaringen willen we eerlijk delen. Want net zoals onze geiten groeien, groeit ook onze kennis – en deze website groeit met ons mee.
Heb je interesse in onze werkwijze?
Ben je zelf bezig met het opvolgen van de wormdruk bij geiten of wil je graag aan de slag met de McMaster-methode? Dan delen we graag de documenten die we zelf gebruiken.
We hebben onder andere een eigen:
- Standard Operating Procedure (SOP);
- registratieformulier;
- Excel-opvolgblad;
Deze documenten zijn gebaseerd op wetenschappelijke literatuur en worden voortdurend aangepast naarmate we zelf meer ervaring opdoen.
Heb je interesse of wil je graag ervaringen uitwisselen? Neem dan gerust contact met ons op. We helpen graag waar we kunnen en leren minstens even graag bij van andere geitenhouders.
