Inleiding
Blauwtong is een virusziekte van herkauwers die wordt veroorzaakt door het Bluetonguevirus (BTV). Hoewel de ziekte vooral bekend is bij schapen, kunnen ook geiten, runderen en wilde herkauwers besmet raken. De ernst van de ziekte verschilt sterk tussen diersoorten en zelfs tussen individuele dieren. Veel geiten vertonen slechts milde of zelfs geen symptomen, terwijl andere dieren ernstig ziek kunnen worden.
Wat blauwtong bijzonder maakt, is dat het virus niet rechtstreeks van dier op dier wordt overgedragen. De verspreiding verloopt via kleine bloedzuigende knutten (Culicoides spp.), waardoor de ziekte sterk afhankelijk is van het seizoen en de aanwezigheid van deze insecten.
De recente uitbraken in België en Nederland hebben aangetoond dat blauwtong opnieuw een belangrijke bedreiging vormt voor de geitenhouderij. Tijdens onze zoektocht naar Vlaamse geiten merkten we zelf hoe groot de impact was. Verschillende fokkers verloren volwassen dieren of hadden aanzienlijk minder gezonde lammeren beschikbaar. Daardoor werd het vinden van geschikte fokdieren veel moeilijker dan verwacht.

Het virus achter blauwtong
Blauwtong wordt veroorzaakt door het Bluetonguevirus (BTV), een virus uit het geslacht Orbivirus en de familie Sedoreoviridae (vroeger ingedeeld bij de Reoviridae). In tegenstelling tot het CAE-virus, dat levenslang in afweercellen aanwezig blijft, veroorzaakt het blauwtongvirus meestal een acute infectie. Na besmetting vermenigvuldigt het virus zich gedurende enkele dagen in het lichaam, waarna het zich via de bloedbaan verspreidt naar verschillende organen en weefsels.
Een belangrijk kenmerk van het blauwtongvirus is dat het de cellen van de bloedvatwand aantast. Hierdoor raken kleine bloedvaten beschadigd, waardoor vocht en bloedbestanddelen uit de bloedvaten kunnen lekken. Dit verklaart veel van de typische ziekteverschijnselen, zoals zwellingen, ontstekingen van de mond en neus, kreupelheid en in ernstige gevallen weefselbeschadiging.
Van het virus bestaan inmiddels meer dan dertig verschillende serotypen. Niet elk serotype veroorzaakt dezelfde ziekteverschijnselen en immuniteit tegen één serotype biedt meestal geen volledige bescherming tegen een ander. In West-Europa kreeg vooral BTV-3 de afgelopen jaren veel aandacht, omdat dit serotype verantwoordelijk was voor de recente uitbraken in België en Nederland.

In tegenstelling tot veel andere virusziekten bij geiten wordt het blauwtongvirus niet rechtstreeks van dier op dier overgedragen. Voor zijn verspreiding is het volledig afhankelijk van kleine bloedzuigende knutten (Culicoides spp.), die het virus tijdens een bloedmaaltijd opnemen en vervolgens naar een volgend dier overbrengen.
Verspreiding
In tegenstelling tot veel andere infectieziekten bij geiten wordt het blauwtongvirus niet rechtstreeks van dier op dier overgedragen. De verspreiding verloopt vrijwel uitsluitend via de beet van kleine bloedzuigende knutten (Culicoides spp.), die het virus tijdens een bloedmaaltijd opnemen van een besmet dier en later kunnen doorgeven aan een volgend dier.
Wanneer een knut bloed zuigt bij een besmette geit, schaap of rund, neemt zij het virus op. In de dagen daarna vermenigvuldigt het virus zich in het lichaam van de knut en bereikt uiteindelijk de speekselklieren. Vanaf dat moment blijft de knut gedurende haar verdere leven in staat om het virus over te dragen telkens wanneer zij opnieuw bloed zuigt.
Na een besmette beet komt het virus rechtstreeks in de bloedbaan van het dier terecht. Daar begint de infectie, waarna het virus zich verspreidt naar verschillende organen en vooral de bloedvatwand aantast. Omdat de knut de enige natuurlijke vector is, kan blauwtong zich niet verder verspreiden wanneer er geen actieve knutten aanwezig zijn.
In onze streken zijn knutten vooral actief vanaf het late voorjaar tot in het najaar, met een piek tijdens warme en vochtige zomermaanden. Daardoor vertonen uitbraken van blauwtong een duidelijk seizoensgebonden patroon. In de winter neemt het risico op nieuwe besmettingen doorgaans sterk af, al kunnen zachte winters ervoor zorgen dat knutten langer actief blijven.
Waarom verspreidt blauwtong zich zo snel?
Een besmette knut vliegt weliswaar slechts beperkte afstanden, maar grote aantallen knutten kunnen door de wind over tientallen kilometers worden verplaatst. Bovendien kunnen besmette dieren vóór het optreden van duidelijke ziekteverschijnselen al als virusbron dienen voor nieuwe knutten. Hierdoor kan het virus zich in korte tijd over grote gebieden verspreiden.
Wat gebeurt er na een besmetting?
Wanneer een besmette knut een geit prikt, brengt zij het blauwtongvirus rechtstreeks in de huid en de onderliggende bloedvaten. Daar infecteert het virus eerst lokale afweercellen en begint het zich te vermenigvuldigen. Via de lymfevaten bereikt het vervolgens de dichtstbijzijnde lymfeklieren, waarna het zich via de bloedbaan door het hele lichaam verspreidt.
Het blauwtongvirus heeft een bijzondere voorkeur voor de endotheelcellen, de cellen die de binnenwand van bloedvaten bekleden. Door deze cellen te infecteren en te beschadigen ontstaat een ontstekingsreactie waardoor de bloedvaten minder goed afsluiten. Vocht, ontstekingscellen en soms zelfs rode bloedcellen lekken uit de bloedbaan naar het omliggende weefsel.
Deze beschadiging van de bloedvaten verklaart vrijwel alle typische ziekteverschijnselen van blauwtong. Zwellingen van lippen, tong en oogleden ontstaan doordat vocht zich ophoopt in de weefsels. Ontstekingen van mond- en neusslijmvlies veroorzaken pijn, speekselen en neusvloei. Wanneer ook de kleine bloedvaten in de kroonrand van de hoeven worden aangetast, kunnen dieren kreupel worden of moeilijk stappen.

Bij ernstige infecties kunnen de bloedvatbeschadigingen zo uitgebreid zijn dat ook de longen, spieren en andere organen worden aangetast. Dit kan leiden tot benauwdheid, algemene verzwakking en in sommige gevallen sterfte. Geiten vertonen gemiddeld mildere ziekteverschijnselen dan schapen, maar ook bij geiten kunnen ernstige infecties voorkomen, zeker bij de recent circulerende virusvarianten.
Klinische ziekteverschijnselen

De ernst van blauwtong kan sterk verschillen tussen individuele geiten. Veel dieren vertonen slechts milde of zelfs geen duidelijke ziekteverschijnselen, terwijl andere ernstig ziek kunnen worden. Over het algemeen verlopen infecties bij geiten minder ernstig dan bij schapen, maar de recente uitbraken met BTV-3 hebben aangetoond dat ook geiten aanzienlijke gezondheidsproblemen kunnen ontwikkelen.
De eerste symptomen zijn meestal weinig specifiek. Besmette dieren kunnen koorts ontwikkelen, minder actief zijn en hun eetlust verliezen. Naarmate de infectie vordert, ontstaan vaak ontstekingen van de mond- en neusslijmvliezen. Hierdoor kunnen geiten overmatig speekselen, een neusvloei ontwikkelen en moeite krijgen met eten. Zwellingen van de lippen, oogleden en soms ook de tong zijn eveneens kenmerkend voor de ziekte.
Doordat het virus ook de kleine bloedvaten in de kroonrand en de hoeven aantast, kunnen dieren kreupel worden of zich moeilijk voortbewegen. Sommige geiten blijven liever liggen of bewegen zich slechts met tegenzin. Bij ernstige infecties kunnen ook de longen worden aangetast, wat leidt tot benauwdheid en een verhoogde ademhalingsfrequentie.
Blauwtong heeft bovendien een belangrijke invloed op de voortplanting. Drachtige geiten lopen een verhoogd risico op embryonale sterfte, abortus of de geboorte van zwakke lammeren. Tijdens de recente uitbraken in België en Nederland meldden verschillende fokkers een sterk verminderde vruchtbaarheid en aanzienlijk minder levensvatbare lammeren. Ook wij ondervonden tijdens onze zoektocht naar Vlaamse geiten hoe groot deze impact was. Het beperkte aantal beschikbare lammeren was één van de redenen waarom het vinden van geschikte fokdieren aanzienlijk moeilijker verliep dan verwacht.
Hoewel veel dieren uiteindelijk herstellen, kan het herstel weken tot maanden duren. Vooral conditieverlies, een verminderde melkproductie en een tragere groei kunnen nog geruime tijd na de infectie zichtbaar blijven.
Diagnostiek
De klinische symptomen van blauwtong kunnen sterk variëren en zijn niet altijd specifiek. Koorts, kreupelheid, speekselen of een verminderde eetlust kunnen ook voorkomen bij andere infectieziekten of stofwisselingsproblemen. Bovendien vertonen veel geiten slechts milde symptomen of blijven ze volledig symptoomloos. Daarom kan de diagnose niet uitsluitend op basis van het ziektebeeld worden gesteld.
Wanneer een dierenarts blauwtong vermoedt, zal eerst rekening worden gehouden met de klinische symptomen, de tijd van het jaar en de epidemiologische situatie. Tijdens een periode waarin blauwtong in de regio circuleert, zal de ziekte sneller in overweging worden genomen dan tijdens de wintermaanden, wanneer knutten nauwelijks actief zijn.
Een definitieve diagnose gebeurt via laboratoriumonderzoek. De meest gebruikte methode is een PCR-test, waarbij het genetisch materiaal van het blauwtongvirus rechtstreeks in een bloedstaal wordt aangetoond. Deze techniek is zeer gevoelig en laat toe om een infectie reeds vroeg in het ziekteverloop vast te stellen. Daarnaast kan ook een ELISA-test worden uitgevoerd om antistoffen tegen het virus op te sporen. Serologisch onderzoek is vooral nuttig om na te gaan of dieren eerder met het virus in contact zijn gekomen of om de immuniteitsstatus van een kudde te beoordelen.
Omdat verschillende serotypen van het blauwtongvirus bestaan, kan aanvullend onderzoek nodig zijn om het betrokken serotype te identificeren. Dat is niet alleen belangrijk voor de epidemiologische opvolging van uitbraken, maar ook voor de keuze van een geschikt vaccin.
Niet elke kreupele geit heeft blauwtong
Hoewel kreupelheid, mondletsels en koorts typische symptomen van blauwtong kunnen zijn, komen ze ook voor bij andere aandoeningen, zoals mond- en klauwproblemen, ernstige mondontstekingen, klauwrot of bepaalde vergiftigingen. Laboratoriumonderzoek blijft daarom noodzakelijk om de diagnose met zekerheid te bevestigen.
Bestrijding en preventie
Omdat blauwtong wordt veroorzaakt door een virus, bestaat er geen specifieke behandeling die de infectie kan genezen. Zieke dieren worden daarom voornamelijk ondersteunend behandeld. Afhankelijk van de ernst van de symptomen kunnen ontstekingsremmers, pijnstilling, extra vocht en aangepaste voeding het herstel bevorderen. Bij ernstig aangetaste dieren is een snelle tussenkomst van de dierenarts belangrijk.
Preventie speelt dan ook een centrale rol. De belangrijkste maatregel is vaccinatie. De recente uitbraken in België en Nederland hebben aangetoond dat vaccinatie het risico op ernstige ziekte, sterfte en vruchtbaarheidsproblemen aanzienlijk kan verminderen. Omdat verschillende serotypen van het blauwtongvirus bestaan, is het belangrijk een vaccin te gebruiken dat bescherming biedt tegen het serotype dat in de regio circuleert.
Daarnaast kan ook de blootstelling aan knutten gedeeltelijk worden beperkt. Knutten zijn vooral actief tijdens warme, vochtige periodes en rond zonsopgang en zonsondergang. Geiten tijdens deze piekmomenten binnenhouden, zorgen voor goed geventileerde stallen en het beperken van stilstaand water kunnen de kans op besmetting enigszins verkleinen. Volledige bescherming is echter niet mogelijk, omdat knutten zeer klein zijn en zich gemakkelijk laten verspreiden door de wind.
Een goede opvolging van de epidemiologische situatie blijft eveneens belangrijk. Nieuwe uitbraken worden nauwlettend gemonitord door de diergezondheidsdiensten, zodat geitenhouders tijdig preventieve maatregelen kunnen nemen.
Onze aanpak op Het Naanhof
Tijdens onze zoektocht naar Vlaamse geiten ondervonden we zelf welke impact blauwtong kan hebben. Verschillende fokkers verloren dieren of hadden aanzienlijk minder gezonde lammeren beschikbaar, waardoor het vinden van geschikte fokdieren veel moeilijker werd dan verwacht.
Die ervaring heeft ons doen beseffen hoe kwetsbaar een klein en zeldzaam ras kan zijn voor opkomende infectieziekten. Daarom volgen we de epidemiologische situatie rond blauwtong nauwgezet op en staan we open voor wetenschappelijk onderbouwde preventieve maatregelen, waaronder vaccinatie wanneer dat aangewezen is.
Zoals bij alle gezondheidsaspecten geloven we dat kennis, dagelijkse observatie en tijdige preventie de beste basis vormen voor een gezonde en veerkrachtige kudde.
