
Tijdens het scheren van de hagen rond ons gazon viel het ons opnieuw op: zodra er beukensnoeisel op de grond belandde, kwamen onze geiten nieuwsgierig kijken. Van de beuk geven we hun af en toe enkele takken, waaraan ze graag knabbelen.
Naast beuk staan rond het gazon ook een klein stukje Portugese laurier en wat struikkamperfoelie. Het snoeisel daarvan bieden we niet aan. Dat deed ons nadenken over een spreuk die we onlangs tegenkwamen:
“Geiten kunnen sommige giftige planten eten.”
Op Het Naanhof staan daarnaast honderden meters gemengde hagen. Die zijn samengesteld uit soorten waarvan de bladeren en jonge twijgen geschikt zijn als browse voor geiten. De dieren mogen daar dan ook geregeld zelf van eten. Maar waarom kunnen geiten sommige plantaardige afweerstoffen beter verdragen dan andere dieren? En waar ligt de grens tussen geschikte browse en een potentieel giftige plant?
Het korte antwoord is genuanceerd: geiten kunnen bepaalde plantenstoffen opvallend goed verwerken, maar ze zijn absoluut niet immuun voor plantengif.
Planten verdedigen zich
Planten kunnen niet weglopen wanneer een dier ervan wil eten. Daarom produceren veel soorten chemische afweerstoffen, zoals tannines, alkaloïden, saponinen, terpenen en cyanogene glycosiden.
Deze stoffen kunnen bitter of wrang smaken, de verteerbaarheid verminderen of bij een voldoende hoge dosis ziekte veroorzaken. “Giftig” is daarbij geen eenvoudige eigenschap. Het uiteindelijke effect hangt onder meer af van:
- de plantensoort en het plantendeel;
- de opgenomen hoeveelheid;
- een eenmalige of langdurige opname;
- het seizoen en groeistadium;
- vers, gekneusd, verwelkt of gedroogd materiaal;
- de leeftijd, voedingstoestand en gezondheid van het dier.
Een plant waarvan enkele blaadjes geen zichtbaar effect veroorzaken, kan bij grote of herhaalde opname toch schadelijk zijn. Omgekeerd zijn planten die tannines of andere afweerstoffen bevatten niet noodzakelijk giftig bij een normale, beperkte opname.
De dosis en de omstandigheden bepalen mee het risico.
De echte superkracht van geiten
Geiten zijn van nature browsers. Ze eten graag bladeren, twijgen, struiken en kruiden en nemen doorgaans kleine hoeveelheden van veel verschillende planten op.
Die afwisseling vormt een belangrijk verdedigingsmechanisme. Door voortdurend tussen plantensoorten te wisselen, beperken geiten de dosis van één bepaalde afweerstof. Ze proeven voorzichtig, onderbreken hun eetmomenten en kunnen planten vermijden die eerder een onaangenaam effect veroorzaakten.
Daarnaast kunnen verschillende lichamelijke mechanismen helpen:
- speekseleiwitten kunnen bepaalde tannines binden;
- pensmicro-organismen kunnen sommige plantenstoffen afbreken;
- de lever kan opgenomen verbindingen omzetten;
- nieren en gal helpen afbraakproducten uitscheiden.
Een gezonde en goed gevoede geit die uit een gevarieerd aanbod kan kiezen, is daarom vaak beter in staat om met bepaalde plantaardige afweerstoffen om te gaan dan een dier dat hongerig is of slechts één plantensoort ter beschikking heeft.
Maar dit systeem heeft duidelijke grenzen. Niet iedere gifstof kan onschadelijk worden gemaakt. Bij sommige planten kunnen processen in de pens een verbinding zelfs omzetten in een sterker gif.
“Geiten kunnen sommige giftige planten eten” betekent daarom vooral dat ze kleine hoeveelheden van bepaalde plantaardige afweerstoffen kunnen verwerken. Het betekent niet dat een giftige plant veilig voeder is.
Niet alle giftige planten werken hetzelfde
Planten kunnen op heel verschillende manieren schade veroorzaken. Sommige vergiftigingen verlopen snel, terwijl andere pas na dagen, weken of zelfs maanden zichtbaar worden.
Sint-janskruid maakt de huid gevoelig voor zonlicht

Sint-janskruid (Hypericum perforatum) bevat onder meer hypericine. Nadat deze stof in het bloed is opgenomen, kan ze onder invloed van zonlicht reactieve zuurstofverbindingen vormen. Daardoor ontstaat primaire fotosensibilisatie.
Vooral weinig behaarde en ongepigmenteerde huiddelen zijn gevoelig. Mogelijke verschijnselen zijn:
- roodheid en zwelling;
- jeuk en pijn;
- korstvorming;
- afsterven van huiddelen;
- voortdurend de schaduw opzoeken.
De oren, oogleden en snuit zijn vaak het kwetsbaarst. Een donkere huid biedt enige bescherming, maar maakt opname niet veilig.
Paardenstaart veroorzaakt vooral problemen bij langdurige opname

Met paardenstaart worden verschillende soorten uit het geslacht Equisetum bedoeld. Heermoes (Equisetum arvense) bevat thiaminase, een enzym dat vitamine B1 afbreekt. Herkauwers zijn daar gedeeltelijk tegen beschermd doordat pensmicroben zelf vitamine B1 produceren.
Lidrus of moeraspaardenstaart (Equisetum palustre) is zorgwekkender. Deze soort bevat naast thiaminase ook andere toxische stoffen, waaronder palustrine-alkaloïden.
Langdurige opname kan leiden tot:
- diarree;
- verminderde eetlust;
- gewichtsverlies;
- dalende melkproductie;
- spierzwakte en zenuwverschijnselen.
Het grootste risico ontstaat wanneer paardenstaart in hooi terechtkomt en gedurende langere tijd wordt gevoerd.
Jacobskruiskruid beschadigt ongemerkt de lever

Jacobskruiskruid (Jacobaea vulgaris) bevat pyrrolizidine-alkaloïden. In de lever worden die omgezet in reactieve verbindingen die levercellen beschadigen.
De schade is cumulatief en grotendeels onomkeerbaar. Een dier kan lange tijd kleine hoeveelheden opnemen voordat duidelijke symptomen ontstaan. Later kunnen vermagering, slechte eetlust, geelzucht en neurologische verschijnselen optreden.
Vooral besmet hooi is gevaarlijk. Bij het drogen vermindert de onaangename smaak van de plant, maar de giftige stoffen blijven aanwezig.
Taxus kan een geit zeer snel doden

Taxus (Taxus baccata) bevat taxines die de elektrische prikkelgeleiding in het hart verstoren. Een vergiftiging kan leiden tot trillen, zwakte, ademnood, hartritmestoornissen, instorten en plotselinge dood.
Ook gedroogd taxussnoeisel blijft gevaarlijk. Net omdat taxus zo vaak als haag wordt aangeplant, is het een van de belangrijkste risico’s van tuinafval.
Laurier kan cyanide vrijmaken
Laurierkers (Prunus laurocerasus) bevat cyanogene glycosiden. Wanneer plantencellen door kauwen, kneuzen of verwelken beschadigd raken, kan daaruit waterstofcyanide of blauwzuur worden gevormd.
Cyanide verhindert dat lichaamscellen zuurstof gebruiken. Mogelijke symptomen zijn snelle ademhaling, onrust, felrode slijmvliezen, stuipen, instorten en acute sterfte.
Ook Portugese laurier (Prunus lusitanica) behoort tot het geslacht Prunus en kan cyanogene verbindingen bevatten. Specifieke dosisgegevens voor geiten zijn beperkt. Daarom houden we uit voorzorg al het snoeisel ervan buiten hun bereik.
Waarom snoeiafval extra gevaarlijk kan zijn
Een geit die langs een levende, gevarieerde haag loopt, kan zelf selecteren. Ze neemt enkele blaadjes, wandelt verder en kiest daarna een andere plant. Een hoop snoeiafval creëert een heel andere situatie:
- veel bladeren liggen geconcentreerd binnen handbereik;
- afgesneden bladeren zijn gekneusd en beginnen te verwelken;
- onaangename smaken kunnen verminderen;
- verschillende soorten kunnen door elkaar gemengd raken;
- een geit kan minder goed selecteren;
- ook planten die aan de struik worden vermeden, kunnen worden opgegeten.
Plantenvergiftigingen ontstaan daarom regelmatig niet doordat dieren vrijwillig aan een levende giftige struik eten, maar doordat snoeisel of ander tuinafval in hun verblijf wordt gegooid.
Goed gevoede dieren met voldoende veilig ruwvoer lopen minder risico dan hongerige dieren, maar ook hun instinct is niet onfeilbaar.
Dat betekent niet dat alle snoeiafval ongeschikt is. Takken van bekende en veilige browseplanten kunnen juist een waardevolle en natuurlijke aanvulling vormen. Het is wel belangrijk dat de plant met zekerheid geïdentificeerd is en dat giftige soorten niet tussen het snoeisel terechtkomen.
Wat betekent dit voor Het Naanhof?
De honderden meters gemengde hagen op Het Naanhof bestaan uit soorten die geschikt zijn als browse voor onze geiten. Ze mogen daar zelf bladeren en jonge twijgen uit selecteren. Dat zorgt niet alleen voor afwisseling in hun voeding, maar sluit ook mooi aan bij hun natuurlijke eetgedrag.
Rond het gazon staan enkele afzonderlijke sierhagen. De beukenhaag vormt daarbij geen probleem. Van de beuk geven we af en toe wat snoeisel, waar de geiten graag aan knabbelen. Zoals bij alle browse bieden we dit aan als afwisseling en niet als vervanging van hun gewone ruwvoer.

Daarnaast staat er een klein stukje Portugese laurier en wat struikkamperfoelie. Het snoeisel daarvan bieden we niet aan.
Bij Portugese laurier volgen we het voorzorgsprincipe. De plant behoort tot het geslacht Prunus, waarvan verschillende soorten cyanogene glycosiden bevatten. Bij beschadiging van het plantenweefsel kunnen daaruit verbindingen ontstaan die cyanide vrijmaken.
Bij struikkamperfoelie is het probleem vooral dat de samenstelling en giftigheid binnen het geslacht Lonicera sterk tussen soorten verschillen. Bovendien zijn er weinig specifieke gegevens over opname door geiten. Zonder duidelijke noodzaak zien we daarom geen reden om het snoeisel als voer te gebruiken.
Onze werkwijze is eenvoudig:
- van bekende en geschikte browseplanten mogen de geiten eten;
- beuk bieden we af en toe aan als veilige afwisseling;
- Portugese laurier en struikkamperfoelie houden we buiten hun bereik;
- gemengd of onbekend tuinafval komt nooit bij de geiten terecht.
We vertrouwen daarbij niet uitsluitend op het natuurlijke selectiegedrag van onze dieren. Dat gedrag is indrukwekkend, maar het is aangepast aan rustig rondtrekken en kleine hoeveelheden van verschillende planten eten — niet aan een geconcentreerde hoop snoeiafval.
De echte superkracht van een geit is niet dat ze immuun is voor plantengif, maar dat ze meestal heel zorgvuldig kiest hoeveel ze waarvan eet. Wij zorgen ervoor dat ze die keuze alleen uit geschikte planten hoeft te maken.
Bijlage: welke planten kunnen giftig zijn voor geiten?
De onderstaande tabellen bevatten een selectie van planten die in en rond Vlaamse tuinen en weiden kunnen voorkomen. De lijst is niet volledig. Een plant die er niet in staat, is dus niet automatisch veilig.
De ernst van een mogelijke vergiftiging hangt af van de soort, het plantendeel, de hoeveelheid en de duur van de opname. Ook snoeien, verwelken of drogen kan het risico veranderen.
Sierplanten en tuinplanten
| Plant | Belangrijkste gevaar | Wanneer vooral riskant? |
| Taxus (Taxus baccata) | Taxines ontregelen het hart en kunnen plotselinge sterfte veroorzaken | Zelfs kleine hoeveelheden snoeisel; vers én gedroogd |
| Rododendron en azalea (Rhododendron spp.) | Grayanotoxinen veroorzaken speekselen, buikpijn, zwakte en hartproblemen | Vooral afgesneden of verwelkt snoeisel |
| Pieris of rotsheide (Pieris japonica) | Bevat eveneens grayanotoxinen | Snoeisel en grotere opname |
| Oleander (Nerium oleander) | Hartglycosiden veroorzaken ernstige hartritmestoornissen | Alle plantendelen, ook na drogen |
| Goudenregen (Laburnum anagyroides) | Cytisine tast het zenuwstelsel aan | Vooral bloemen, peulen en zaden |
| Buxus (Buxus sempervirens) | Alkaloïden veroorzaken maag-darm-, zenuw- en ademhalingsproblemen | Vooral snoeisel of bij voedseltekort |
| Monnikskap (Aconitum spp.) | Aconitine ontregelt zenuwen en hartritme | Alle delen; vooral wortels en knollen |
| Vingerhoedskruid (Digitalis purpurea) | Hartglycosiden veroorzaken zwakte en hartritmestoornissen | Ook gedroogd giftig |
| Herfsttijloos (Colchicum autumnale) | Colchicine verhindert de celdeling en kan ernstige orgaanschade veroorzaken | Vers én aanwezig in hooi |
| Hortensia (Hydrangea spp.) | Bevat cyanogene en irriterende verbindingen | Grote hoeveelheden gekneusd snoeisel |
| Lupine (Lupinus spp.) | Alkaloïden kunnen het zenuwstelsel aantasten | Vooral zaden en bittere soorten |
| Ui, look en sierui (Allium spp.) | Zwavelverbindingen kunnen rode bloedcellen beschadigen | Grote of herhaalde opname |
Hagen, struiken en bomen
| Plant | Belangrijkste gevaar | Wanneer vooral riskant? |
| Laurierkers (Prunus laurocerasus) | Cyanogene glycosiden kunnen blauwzuur vrijmaken | Vooral gekneusd of verwelkend snoeisel |
| Portugese laurier (Prunus lusitanica) | Kan eveneens cyanogene verbindingen bevatten | Uit voorzorg al het snoeisel buiten bereik houden |
| Robinia of valse acacia (Robinia pseudoacacia) | Toxalbuminen beschadigen cellen en darmweefsel | Vooral schors, zaden en jonge scheuten |
| Eik (Quercus spp.) | Grote hoeveelheden tannines kunnen maag, darmen en nieren beschadigen | Jong blad, onrijpe eikels en veel gevallen takken |
| Cotoneaster of dwergmispel (Cotoneaster spp.) | Sommige soorten bevatten cyanogene glycosiden | Grote hoeveelheden snoeisel; risico verschilt per soort |
| Liguster (Ligustrum spp.) | Bevat verschillende irriterende en mogelijk toxische verbindingen | Grote hoeveelheden blad of bessen |
| Kamperfoelie (Lonicera spp.) | Samenstelling en giftigheid verschillen sterk per soort | Vooral bessen en grote hoeveelheden snoeisel |
| Hulst (Ilex aquifolium) | Saponinen en irriterende stoffen veroorzaken vooral maag-darmklachten | Grote hoeveelheden blad of bessen |
| Paardenkastanje (Aesculus hippocastanum) | Aesculine, saponinen en andere verbindingen | Vooral onrijpe kastanjes, zaden en jonge scheuten |
Weideplanten en planten uit hooilanden
| Plant | Belangrijkste gevaar | Wanneer vooral riskant? |
| Jacobskruiskruid (Jacobaea vulgaris) | Pyrrolizidine-alkaloïden veroorzaken cumulatieve en onomkeerbare leverschade | Langdurige opname en vooral in hooi |
| Sint-janskruid (Hypericum perforatum) | Hypericine maakt de huid overgevoelig voor zonlicht | Na opname bij fel zonlicht, vooral op ongepigmenteerde huid |
| Paardenstaart (Equisetum spp.) | Thiaminase en bij sommige soorten bijkomende alkaloïden | Langdurige opname; vooral lidrus en besmet hooi |
| Adelaarsvaren (Pteridium aquilinum) | Ptaquiloside en andere stoffen kunnen beenmerg en bloedvorming beschadigen | Langdurige opname; ook gedroogd giftig |
| Boterbloem (Ranunculus spp.) | Verse gekneusde planten vormen irriterend protoanemonine | Grote opname van verse planten; veel minder riskant na drogen |
| Nachtschade (Solanum spp.) | Glycoalkaloïden irriteren de darm en verstoren het zenuwstelsel | Vooral groene plantendelen en onrijpe bessen |
| Bastaardklaver (Trifolium hybridum) | Kan bij langdurige opname leverproblemen en lichtovergevoeligheid veroorzaken | Vooral wanneer de plant een groot deel van het rantsoen vormt |
Bermen, bosranden, akkers en oevers
| Plant | Belangrijkste gevaar | Wanneer vooral riskant? |
| Waterscheerling (Cicuta virosa) | Cicutoxine veroorzaakt hevige stuipen en snelle sterfte | Vooral de wortel en materiaal uit geruimde sloten |
| Smeerwortel (Symphytum officinale) | Pyrrolizidine-alkaloïden kunnen bij langdurige opname de lever beschadigen | Regelmatig of doelbewust voeren |
| Adelaarsvaren (Pteridium aquilinum) | Kan bloedvorming en beenmerg beschadigen | Bij voedselschaarste en langdurige opname |
| Lidrus (Equisetum palustre) | Bevat thiaminase en toxische alkaloïden | Op vochtige percelen en in besmet hooi |
| Eik (Quercus spp.) | Hoge opname van tannines kan nierschade veroorzaken | Veel jong blad of onrijpe eikels, bijvoorbeeld na een storm |
| Zwarte nachtschade (Solanum nigrum) | Glycoalkaloïden veroorzaken maag-darm- en zenuwverschijnselen | Vooral onrijpe bessen en groene plantendelen |
| Aardappelloof en groene aardappelen (Solanum tuberosum) | Solanine en chaconine veroorzaken maag-darm- en zenuwproblemen | Loof, kiemen en groene of beschadigde knollen |
Bij een mogelijke vergiftiging
Neem bij de mogelijke opname van een sterk giftige plant onmiddellijk contact op met een dierenarts. Wacht bij taxus, oleander, rododendron, pieris, laurierkers, goudenregen of waterscheerling niet tot er symptomen verschijnen.
- Verwijder onmiddellijk de toegang tot de plant.
- Bewaar een staal van het plantenmateriaal.
- Maak duidelijke foto’s van bladeren, bloemen, vruchten en takken.
- Probeer in te schatten hoeveel en wanneer ervan werd gegeten.
- Dien niet op eigen initiatief olie, melk, actieve kool of andere middelen toe.
- Volg de aanwijzingen van de dierenarts.
De veiligste regel blijft eenvoudig:
Geef geiten alleen snoeisel van planten waarvan je met zekerheid weet dat ze geschikt zijn. Gemengd of onbekend tuinafval hoort niet in de geitenweide.
Geraadpleegde bronnen
- Nelis, H. (2012). Welke planten zijn giftig voor schapen en geiten? Management & Techniek, Universiteit Gent.
- Estell, R.E. (2010). Coping with shrub secondary metabolites by ruminants. Small Ruminant Research, 94, 1–9.
- Monegi, P. et al. (2023). Diet mixing and supplementation present an opportunity to increase the use of tannin-defended woody plants by goats.
- MSD Veterinary Manual. Poisonous plants affecting livestock.
- Cornell University Department of Animal Science. Plants poisonous to goats.
- UK Government – Code of recommendations for the welfare of livestock: goats.
Ben je geïnteresseerd in meerdere geitenweetjes?
Kijk dan zeker op de overzichtspagina: Geitenweetjes
