Hoe weten geiten wat ze kunnen eten?

Toen onze geiten voor het eerst toegang kregen tot het kleine bos op Het Naanhof, besloot ik mij rustig in de hangmat te leggen en hun gedrag te observeren. Het was voor hen een volledig nieuwe omgeving, met bomen en struiken die ze waarschijnlijk nog nooit hadden gezien.

Bij hun vorige eigenaar stonden veel berken. Het was meteen duidelijk dat ze deze boomsoort kenden: zonder aarzelen begonnen ze van de bladeren te eten. Bij onbekende bomen gedroegen ze zich heel anders.

Niets zo leuk als geitengedrag observeren vanuit de hangmat.
Niets zo leuk als geitengedrag observeren vanuit de hangmat.

Zo zag ik hoe een van de geiten voorzichtig één blad van een tamme kastanje proefde. Ze kauwde erop, liep vervolgens verder en ging opnieuw eten van struiken die ze blijkbaar wel kende. Enkele tientallen minuten later keerde ze terug naar dezelfde kastanje. Deze keer bleef het niet bij één blaadje: de onderste takken werden vrijwel volledig kaalgegeten.

Het was fascinerend om te zien en riep een eenvoudige maar interessante vraag op:

Hoe weet een geit of een onbekende plant eetbaar en veilig is?

Het verrassende antwoord is dat ze dit vooraf niet met zekerheid weet. Ze moet het voorzichtig ontdekken.

Nieuwsgierig, maar niet roekeloos

Even kennismaken met de smaak van haagbeuk. Lekker!
Even kennismaken met de smaak van haagbeuk. Lekker!

Geiten zijn van nature browsers. Ze zoeken hun voedsel tussen grassen, kruiden, struiken en bomen. Elke plant bevat een andere combinatie van energie, eiwitten, mineralen, vezels en plantaardige afweerstoffen.

In zo’n gevarieerde omgeving zou het gevaarlijk zijn om van iedere onbekende plant onmiddellijk grote hoeveelheden te eten. Daarom reageren geiten vaak voorzichtig op nieuw voedsel. Wetenschappers noemen die terughoudendheid tegenover onbekend voedsel voedselneofobie.

Dat betekent niet dat geiten nieuwe planten volledig vermijden. Meestal onderzoeken ze die juist heel aandachtig:

  • ze bekijken en besnuffelen de plant;
  • onderzoeken het blad met lippen en tong;
  • nemen een klein proefhapje;
  • gaan daarna vaak weer verder;
  • keren later eventueel terug om opnieuw te proeven of meer te eten.

Die combinatie van nieuwsgierigheid en voorzichtigheid is een slimme strategie. Een klein proefhapje levert informatie op zonder dat de geit onmiddellijk een grote hoeveelheid van een mogelijk schadelijke plant binnenkrijgt.

Smaak geeft een eerste aanwijzing

De geur, smaak en structuur van een plant vormen de eerste bron van informatie.

Een zoete of vertrouwde smaak kan aantrekkelijk zijn, terwijl een zeer bittere, scherpe of wrange smaak tot voorzichtigheid kan aanzetten. Ook de stevigheid van het blad, de aanwezigheid van stekels en de geur die bij het kauwen vrijkomt, beïnvloeden de eerste reactie.

Maar smaak alleen is geen betrouwbare test voor giftigheid.

Veel veilige planten smaken enigszins bitter of wrang omdat ze tannines bevatten. Omgekeerd kunnen sommige giftige tuinplanten best aantrekkelijk zijn. Zo wordt snoeisel van rododendron soms gretig gegeten, hoewel de plant ernstige vergiftigingsverschijnselen kan veroorzaken.

Een geit beschikt dus niet over een ingebouwd systeem dat iedere plant onmiddellijk als “veilig” of “giftig” herkent. Smaak is vooral een eerste aanwijzing. De uiteindelijke beoordeling ontstaat pas nadat het voedsel is ingeslikt.

De buik praat mee met de hersenen

Na het eten begint het lichaam informatie te verzamelen over de gevolgen van de plant. Signalen uit de pens, darmen, lever en andere organen bereiken vervolgens de hersenen.

Wetenschappers noemen dit post-ingestieve feedback: lichamelijke feedback die ontstaat nadat voedsel werd opgenomen.

Wanneer een plant:

  • bruikbare energie of voedingsstoffen levert;
  • geen sterke verstoring van de pens veroorzaakt;
  • geen misselijkheid, buikpijn of ander ongemak oplevert,

kan de smaak ervan aantrekkelijker worden. De geit ontwikkelt dan geleidelijk een voorkeur voor die plant.

Veroorzaakt het voedsel juist misselijkheid, pijn of een andere onaangename reactie, dan kan de smaak of geur ervan afstotelijk worden. Bij een volgende ontmoeting zal de geit de plant mogelijk veel sneller laten staan. Dat noemen we een aangeleerde voedselaversie.

De mond herkent dus de smaak, maar het lichaam helpt bepalen welke betekenis die smaak krijgt.

Een smaak wordt aan een gevolg gekoppeld

Onderzoek heeft aangetoond dat geiten kunnen leren om een bepaalde smaak te verbinden met de lichamelijke gevolgen van een voeder.

In experimenten kregen geiten verschillende voeders aangeboden die herkenbaar verschilden in smaak. Wanneer de opname van een bepaald voeder gevolgd werd door een onaangename lichamelijke ervaring, aten ze er later minder van. Ze hadden geleerd dat juist die smaak mogelijk ongemak voorspelde.

Ook de gegeten hoeveelheid speelde daarbij een rol. Het voedsel waarvan vóór de negatieve ervaring het meest was gegeten, werd achteraf het sterkst vermeden. Dat is logisch: hoe groter de eerste opname, hoe waarschijnlijker het voor het dier is dat juist dat voedsel de oorzaak van het ongemak was.

Het omgekeerde gebeurt eveneens. Wanneer een nieuwe smaak gevolgd wordt door een gunstig effect — bijvoorbeeld de aanvoer van energie of een voedingsstof waaraan behoefte bestaat — kan de voorkeur voor die smaak toenemen.

Een plant wordt voor een geit daardoor meer dan alleen een geur of een blad. Ze wordt een verzameling eerdere ervaringen.

Wat gebeurde er bij de tamme kastanje?

Zou dat gekke blad eetbaar zijn? Kennismaking met Tamme kastanje.
Zou dat gekke blad eetbaar zijn? Kennismaking met Tamme kastanje.

Onze waarneming past opvallend goed bij dit leermechanisme.

De berk was vertrouwd. Onze geiten hadden die boomsoort bij hun vorige eigenaar leren kennen en hadden blijkbaar al ervaren dat de bladeren eetbaar waren. Er was daarom weinig reden om opnieuw heel voorzichtig te beginnen.

De tamme kastanje was waarschijnlijk onbekend. In plaats van meteen meerdere takken kaal te eten, werd eerst één blad geproefd. Daarna ging de geit verder naar bekende voedselplanten.

Tijdens de daaropvolgende minuten kon haar lichaam de eerste informatie over het kastanjeblad verwerken. Toen er blijkbaar geen onmiddellijke negatieve reactie volgde, werd de drempel om opnieuw te eten mogelijk lager. Bij de volgende kennismaking bleef het niet meer bij één proefhapje.

Uit één waarneming kunnen we uiteraard niet bewijzen wat er precies in haar lichaam en hersenen gebeurde. Nieuwsgierigheid, smaak en het gedrag van de andere geiten kunnen eveneens een rol hebben gespeeld. Maar de opeenvolging — voorzichtig proeven, stoppen en later een grotere hoeveelheid eten — past heel goed bij wat onderzoekers beschrijven als het leren kennen van nieuw voedsel.

Waarom wacht een geit niet altijd even lang?

Lichamelijke feedback hoeft niet pas vele uren later te ontstaan. Sommige signalen verschijnen al tijdens of kort na het eten.

De pens en de rest van het spijsverteringsstelsel registreren onder meer:

  • hoeveel voedsel binnenkomt;
  • hoe snel het wordt afgebroken;
  • welke voedingsstoffen beschikbaar komen;
  • of de zuurgraad of penswerking verandert;
  • of irriterende of toxische stoffen aanwezig zijn.

De eerste beoordeling kan daarom relatief snel worden aangepast. Andere effecten ontstaan pas veel later. Vooral dat laatste vormt een zwakke plek in het systeem.

Planten die pas na herhaalde opname lever- of nierschade veroorzaken, zijn veel moeilijker te beoordelen dan planten die onmiddellijk een onaangename smaak of misselijkheid veroorzaken. Het verband tussen oorzaak en gevolg wordt dan minder duidelijk.

Geiten leren ook van elkaar

Een geit hoeft niet iedere onbekende plant volledig op eigen risico te onderzoeken. Ook andere geiten vormen een belangrijke informatiebron.

Jonge geiten leren al vroeg van hun moeder. Ze volgen haar tijdens het zoeken naar voedsel en zien welke planten zij kiest of vermijdt. Bovendien kunnen geuren en smaken uit het dieet van de moeder tijdens de dracht en via de melk mee de latere voedselvoorkeuren beïnvloeden.

Ook kuddegenoten kunnen de drempel verlagen om een onbekende plant te onderzoeken. Wanneer een ervaren geit zonder aarzelen van een bepaalde struik eet, is de kans groter dat een ander dier die eveneens probeert.

Toch volgen geiten elkaar niet blindelings. Experimenteel onderzoek toont aan dat ze bij een conflict tussen hun eigen ervaring en de informatie van soortgenoten vaak sterker vertrouwen op wat ze zelf hebben geleerd.

Persoonlijke ervaring blijft dus bijzonder belangrijk.

Waarom eten geiten van zoveel verschillende planten?

Afwisseling is niet alleen interessant, maar ook een vorm van risicobeheer.

Bijna iedere wilde plant bevat wel secundaire plantenstoffen. Tannines, terpenen, saponinen en alkaloïden helpen planten zich verdedigen tegen vraat. Sommige van die stoffen zijn bij een kleine opname onschadelijk of soms zelfs nuttig, maar kunnen bij een hoge dosis problemen veroorzaken.

Door van veel soorten een beetje te eten, voorkomt een geit dat één bepaalde stof snel een schadelijke concentratie bereikt. Bovendien worden verschillende plantenstoffen via verschillende mechanismen afgebroken en uitgescheiden.

Het voortdurende wisselen tussen planten is daarom niet noodzakelijk besluiteloosheid. Het is een doeltreffende manier om voedingsstoffen te verzamelen en tegelijk de opname van plantaardige afweerstoffen te spreiden.

Een slim maar onvolmaakt systeem

Het natuurlijke leerproces van geiten is indrukwekkend, maar niet onfeilbaar.

Het kan tekortschieten wanneer:

  • een plant al in een kleine hoeveelheid zeer giftig is;
  • een schadelijk effect pas dagen of weken later optreedt;
  • giftige planten gedroogd in hooi terechtkomen;
  • snoeiafval in grote hoeveelheden wordt aangeboden;
  • verwelking de smaak of beschikbaarheid van gifstoffen verandert;
  • dieren hongerig zijn en weinig andere keuze hebben;
  • verschillende onbekende planten tegelijk worden gegeten.

Bij sterk giftige planten zoals taxus, rododendron, pieris, oleander en laurierkers mogen we daarom nooit vertrouwen op het instinct of de ervaring van een geit.

Ze leren door te proeven, maar bij sommige planten kan zelfs het proefhapje al te veel zijn.

Wat betekent dit voor Het Naanhof?

De gevarieerde hagen, bosranden en kruidenrijke weiden op Het Naanhof geven onze geiten de mogelijkheid om hun natuurlijke voedselgedrag te vertonen. Ze kunnen kleine hoeveelheden selecteren, tussen planten wisselen en gaandeweg nieuwe voedselbronnen leren kennen.

Wij zorgen er tegelijk voor dat sterk giftige planten niet tot hun keuzemogelijkheden behoren. Onbekend of gemengd tuinafval bieden we niet aan en bij nieuwe percelen kijken we vooraf welke planten er groeien.

Onze taak bestaat dus niet uit het voorschrijven van ieder blaadje dat ze mogen eten. We creëren een veilige omgeving waarin ze zelf kunnen onderzoeken en kiezen.

Vanuit de hangmat zagen we hoe dat leerproces er in de praktijk uitziet: een vertrouwde berk werd onmiddellijk gegeten, terwijl de onbekende tamme kastanje eerst één voorzichtig proefhapje waard was. Pas later volgde een veel grotere opname.

Een geit wordt niet geboren met een volledige plantenencyclopedie in haar hoofd. Ze schrijft die tijdens haar leven zelf — één voorzichtig proefhapje tegelijk.

Dat onze geiten later precies naar dezelfde kastanje terugkeerden, roept nog een andere interessante vraag op: kunnen geiten onthouden waar aantrekkelijke voedselplanten staan? Die vraag bewaren we voor een volgend geitenweetje.

Geraadpleegde bronnen

Scroll naar boven